Welk niveau past bij jou?
Zo werkt het spel
Op de ring staan vier antwoorden. Eén is goed, de andere drie zijn fouten die kinderen echt maken: eentje ernaast, het onthouden vergeten bij optellen, of verkeerd lenen bij aftrekken. Zo oefen je precies waar het vaak misgaat.
Tot 20 krijg je vooral sommen over het tiental heen, zoals 8 + 5 en 13 − 6. Die zijn het lastigst en het belangrijkst om goed te oefenen.
Plus en min horen bij elkaar
Optellen en aftrekken zijn elkaars omgekeerde. Weet je dat 8 + 5 = 13, dan weet je ook dat 13 − 5 = 8 en 13 − 8 = 5. Daarom is het slim om plus en min door elkaar te oefenen: elke plussom helpt je bij een minsom.
Kleuren met sommen
Op de kleurplaten reken je plus- en minsommen uit en kleur je het vakje met de goede kleur.
Werkblad plus en min printen
Kies het soort sommen en het niveau, en print een werkblad met een apart antwoordblad.